Elk kasteel kent zijn eigen sagen en legendes. Zo ook Kasteel Hoensbroek! Het zijn verhalen die meestal mondeling zijn overgeleverd, hier en daar aangedikt tot een meer fantasievolle versie. De historische correctheid is vaak ver te zoeken. Daarom noemen we ze ook sagen en legendes. Hieronder lees je vier legendes van Kasteel Hoensbroek: ‘Auvermoermenkes’, ‘Aap van Hoensbroek’, ‘De kerker’ en ‘Philip Damiaan en de geheime kamer’.

Auvermoermenkes

Hoensbroek is ontstaan in een zeer drassig gebied. Tegen de heuvels lagen bossen en velden, in het dal moeras doorsneden door beekjes. Een van deze oudste waterwegen werd de Auvermoer genoemd; waarschijnlijk een verbastering van Alde-moer, alde-moeder, oude moeder. Deze beek heet tegenwoordig de Caumerbeek. Een andere verklaring van de naam Auvermoerbeek herinnert aan de Auvermannetjes die vroeger in de Auverberg woonden. Het woorddeel ‘moer’’ zou verwijzen naar moeras.

Schuwe kabouters

De verhalen over de Auvermannetjes werden door heel Limburg verteld. De mannetjes waren kabouters die onder de grond leefden en zeer mensenschuw waren. Ze kwamen ’s nachts alleen uit hun holen om bij de rijkere mensen huisraad te lenen. De voorwerpen werden steeds keurig teruggebracht en het koper- en tinwerk blonk dan als goud en zilver. Als er ’s avonds op de ruiten werd geklopt, wisten mensen dat ze hun kookgerei te leen buiten konden zetten. Gebruikte ketels, potten en pannen werden naast de deur gezet en de ventjes kwamen ze later halen. ’s Morgens vonden de bewoners alles weer terug, goed schoongemaakt en blinkend gepoetst. Deze Auvermannetjes deden klusjes in ruil voor het lenen van keukengerei, maar ook in ruil voor lekkere hapjes. Zo waren er veel mensen in Limburg die vlaaien, rijstepap of ander voedsel buiten naast de deur klaarzetten. Herstel- of poetswerk werd ernaast gezet en de volgende morgen was het eten verdwenen en het klusje geklaard.

Niet zo onschuldig

Toch waren de kabouters niet helemaal zo onschuldig. Ze waren zeer mensenschuw en hielden er helemaal niet van als ze bewust werden bespied. Op een gegeven dag wilde één van de mannen van een huis meer weten over de geheimzinnige Auvermenkes. Nadat er weer was geklopt en de potten buiten waren gezet, verstopte hij zich en keek door een sleutelgat naar buiten. Eén van de ventjes had dit echter in de gaten. Hij blies zo hard door het sleutelgat dat hij de man een oog uitblies.

Iets soortgelijks gebeurde met een knecht die op een zekere dag een grap met de ventjes wilde uithalen. Hij verving de brokken peperkoek in de pot door versleten leren lappen. Daarna ging hij gniffelend op de hooizolder liggen om de kabouters stiekem te bespieden. De brokken peperkoek at hij zelf op. De kleine gasten kwamen en aten, maar het scheen hen niet echt te smaken. “Wat zijn die brokken hard vandaag!'” riep één van hen. “Wel”, zei een ander, “dat moet een grap van de knecht zijn.” Ze volgden de kruimels en vonden hem op de hooizolder. “Daar zit hij! Blaas hem het licht uit!” riep één van de Auvermannetjes opeens. De volgende dag was de grappige knecht een oog kwijt…

Ontdekkers van steenkool

Ook wordt verteld dat dezelfde Auvermannetjes de steenkool ontdekten. In één van hun onderaardse gangen, vonden ze een soort zwarte steen die in brand raakte wanneer hun houtvuur er mee in aanraking kwam. Daardoor werden zij genoodzaakt geen vuur meer in hun holen aan te steken, maar ’s nachts in de open lucht hun potje te koken. De slimme kabouters begrepen meteen dat zich in deze steen brandbare stoffen bevonden, waardoor ze beter en langer zouden branden dan hout. Daarom haalden ze ’s nachts die zwarte stenen naar boven om op de heuvels een vuur aan te leggen. De dorpsbewoners zagen dit vuur vanuit de verte en kwamen ernaartoe. De Auvermannetjes vluchtten als gewoonlijk bij hun nadering en zo zagen de mensen voor het eerst de brandende steen. Ook zij gingen deze stenen gebruiken om de haard aan te houden.

Tegenwoordig zijn er nauwelijks nog Auvermannetjes. Ze zouden zijn verdwenen door de opkomst van vele kerkklokken. Ze konden niet tegen het geluid. Jammer, maar helaas. De afwas en de verstel- en herstelwerkzaamheden moeten de Limburgers dus weer helemaal zelf doen!

De aap van Hoensbroek

De Heren van Hoensbroek waren betrokken bij de rechtspraak in hun gebied. Zo hadden ze het recht de schepenen en de schout te benoemen. Dat de Heren van Hoensbroek betrokken waren bij de rechtspraak, betekende echter niet dat ze zelf altijd geheel verschoond bleven van het plegen van misdaden. Althans volgens het volgende verhaal over één van de eerste Heren van Hoensbroek.

Zware ronde toren

Liefst zeven eeuwen staat de ronde toren van kasteel Hoensbroek trots in het heuvellandschap, weerspiegeld in het water van de slotgrachten. In die tijd onderging het kasteel vele veranderingen: het verviel, stortte deels in en werd weer opgebouwd. Wat bleef was de middeleeuwse ronde toren met zijn donkerdreigende vensters en nauwe schietspleten. Op de stenen muren had vuur geen vat en ook slopers waagden zich niet aan de drie meter dikke muren. Vanaf die zware toren konden de wachters de wegen naar het slot goed overzien. Dat was ook wel nodig, want roofridder van Hoen zou zich in de omliggende steden en stadjes niet populair hebben gemaakt. Ook de bisschop van Luik had al een aantal keren laten weten dat de Heer van Hoensbroek een zware straf kon verwachten, als hij niet zou stoppen met zijn nachtelijke rooftochten.

Beroven van kooplui

De mannen van ridder Hoen lieten zich daardoor echter niet afschrikken. Langs alle wegen waren ze te vinden, verborgen in het dichte, hoge kreupelhout. Gereed om met hun scherpe spiesen en hun strijdkolven in de hand tevoorschijn te springen. Geduldig wachtend op het voorbijkomen van kooplui met hun wagens, volgeladen met koopwaar.

Op een dag zaten de rovers opnieuw verstopt achter struikgewas, dat groeide op de steile wand van een holle weg. Lang hoefden de rovers deze keer niet te wachten. In de verte hoorden ze al het geratel van de wielen van een wagen. Op het moment dat de wagen de rovers voorbijreed, sprongen deze luid krijsend op de wagen af. De twee kooplieden op de wagen werden van de wagen gesleept en door de rovers op de kop gezet en bespot. Ze schudden de twee angstige mannen zo lang, dat zelfs de best verborgen goud- en zilverstukken over de grond rolden. Snel gristen de rovers de muntstukken bijeen en sprongen op de wagen. Het klakken van de zweep klonk luid door de donkere nacht en de wagen verdween uit het zicht van de kooplui.

Klein aapje

Het had voor de rovers een nacht als alle andere kunnen zijn, ware het niet dat ze ditmaal een bijzondere vondst deden. Terwijl een van de mannen van Hoensbroek de wagen door de nacht heen joeg, doorzochten de anderen de inhoud van de wagen. Helemaal achterin de wagen vonden ze, verscholen onder de linnen huif, rillend en krijsend een kleine aap. De mannen wisten niet wat ze met het rare diertje aan moesten. Nooit eerder hadden ze zo’n diertje gezien. Even twijfelden ze dan ook of ze het diertje aan de heer zouden geven, of dat ze het voortijdig kwijt zouden proberen te raken. Besloten werd de keus aan de heer te laten. Aangekomen op slot Hoensbroek hadden de mannen de kans niet, de heer in te lichten over het gevonden beestje. Het aapje sprong namelijk meteen uit de wagen op de schouder van de kasteelheer en was er niet meer af te slaan. De roofridder was blij als een kind met het dier.

Lief Vrouwke

Urenlang kon de ridder van Hoensbroek kijken hoe de aap door de gangen buitelde, tussen de spijlen van de balustrade slingerde en langs de trappen naar beneden gleed. Vanaf het moment dat het aapje aankwam op het slot, was het altijd bij de heer. Alleen in de vroege morgen, als de heer neerknielde om een Ave Maria op te zeggen, was het aapje nergens te bekennen. De sleutel van de kleine slotkapel was al jaren geleden kwijtgeraakt en de kapel was sindsdien altijd gesloten. Men had de heer van Hoensbroek ook zelden gezien in de kerkjes van de omliggende dorpen. Toch ging er geen dag voorbij zonder dat de heer bad tot Ons Lief Vrouwke. Zij zou immers het venster van de hemel kunnen openen voor de zondaars die de poort gesloten vonden.

Abt van Rolduc

Met de bewoners van de kasteeltjes in de omtrek leefde de roofridder op gespannen voet. Niet dat er veel te halen viel, maar ook zij maakten aanspraak op het gebruik van de uitgestrekte velden, heide en dichte bossen om te jagen. De heer van Hoensbroek vond echter dat hij het alleenrecht had. Uiteindelijk liet hij zich toch overhalen om de abt van Rolduc te ontvangen, die in zijn grote wijsheid al zoveel twisten had beslecht. Zo kwam de oude abt aan bij het slot, waar men sinds tijden geen geestelijke meer had gezien. Hij ging bij het haardvuur zitten en keek de grote zaal door alsof hij iets zocht. Daarna richtte de abt zich tot de ridder: “Heer Hoen, ik hoorde dat u een aapje bezit die altijd in uw nabijheid te vinden is. Hoe goed ik ook kijk, ik zie hem nergens.” Ook de heer besefte nu pas dat het aapje zich niet in zijn nabijheid bevond. “Wat vreemd”, zei de heer verwonderd, “hier komen nogal veel mensen en tot nu toe is er nog niemand geweest, voor wie hij bang was.” De heer keek nu met zijn scherpe ogen de zaal door en ontdekte het gehurkte gestalte van het aapje in de donkerste schaduwhoek van het vertrek. Daar zat het met de tanden ontbloot en met een gemene grijns op het gezicht: een van haat en woede verwrongen apensmoel. “Wat heeft dit te betekenen?” vroeg de graaf zich af.

De duivel

Maar de abt wist het wel. “Wat denkt u mijnheer wat dit voor een beest is?” vroeg de abt. “Nou een aap!”, antwoordde de heer. “Ik zal u eens laten zien wat dit voor een beest is.” Hij richtte zich langzaam op en wendde zich tot het dier: ”Ik zweer in de naam van Maria, zeg ons wie je bent!” Plotseling antwoordde de aap in de taal der mensen, met een krijsende stem: ”Ja abt, je weet het maar al te goed. Ik ben de duivel, in eigen persoon! Zeven jaar lang woon ik al op dit kasteel en ik wacht. Ik wacht op de dag dat de roofridder van Hoensbroek voor het eerst zal vergeten Maria te groeten. En ik had hem bijna zover. Bijna had ik hem in mijn macht en kon ik hem meevoeren naar de diepste diepten van de hel. Maar tot nu toe verzuimde hij nooit zijn gebed!”

Genade

Zodra de heer die woorden hoorde, viel hij op zijn knieën en smeekte God om genade en beloofde zijn leven te zullen beteren. Zijn mannen die zich nu ook in de zaal verzameld hadden, volgden zijn voorbeeld. De aap krijste vlijmend, alsof hij in het wijwater was gevallen. De abt greep naar het kruisbeeld om zijn hals en richtte dat met gestrekte arm op de aap. Terwijl hij bad uit een kleine bijbel, die hij in zijn andere hand hield, liep hij langzaam richting de aap. De aap week stap voor stap achteruit door de hele lengte van de zaal, de ogen afschermend met de poten alsof hij een fel licht wilde afschermen. Vlakbij de deur verdween de aap vlug de steile wenteltrap van de ronde toren op. De ridder heeft de aap daarna nooit meer gezien. Het enige dat hij achterliet was een sterke zwavellucht.

Een andere versie van deze legende eindigt met de mededeling dat de heer de volgende dag in een klooster ging. Hoe het ook zij, duidelijk is dat dit verhaal een moraal bevat. Men moest oppassen niet door de duivel van de kerkelijke plichten te worden gebracht. De gevolgen kan men niet overzien.

De kerker

Een opmerkelijke ruimte in het kasteel is de kerker. Deze vindt u beneden in de middeleeuwse toren, die gebouwd werd in de veertiende eeuw. De gevangenis is alleen te bereiken via een zeer nauwe wenteltrap. Schurend langs het baksteen bereikt u de dikke eikenhouten deur die van buiten gesloten werd door een massieve dwarsbalk.

Uitzichtloos

De ruimte achter deze deur is beangstigend. Een ronde ruimte van niet meer dan vier meter doorsnee en zo’n tweeënhalve meter hoog. De vloer is van leem en het enige licht dat deze ruimte binnendringt, is zeer flauw en valt door een smalle koker in de drie meter dikke muur. De ruimte bevindt zich vlak boven de waterspiegel van de slotgracht, waardoor het in de kerker zeer koud en vochtig is. Wie hier gevangen zat, kon worden vastgeketend aan een zware balk. Een ijzeren harnas om je bovenlijf en een korte ketting beperkten de beweegruimte. Voor de gevangene was de balk zijn stoel, bed en toilet. Hij zat dus constant in zijn eigen uitwerpselen, zonder dat hij zich kon wassen. Van luchten en uitmesten was natuurlijk geen sprake. Pas als de gevangene was veroordeeld of de geest had gelaten, werd hij in zijn eigen mest weggevoerd. Het schaarse voedsel dat de gevangene kreeg, zat in een houten trog. Dit was niet meer dan een uitgeholde balk.

Enige lichtbron

In deze troosteloze situatie was de enige afleiding de smalle luchtkoker die vanuit de kerker naar de buitenwereld liep. Het was de enige lichtbron. De enige hoop ooit weer vrij te zijn. Het enige besef van dag en nacht. De ketting die de gevangene met de balk verbond, maakte het net mogelijk één stap naar links en één stap naar rechts te maken. Wanneer de gevangene zich rekte kon hij net de koker bereiken en recht omhoogkijken. Tussen de tralies door kon hij dan een klein stukje lucht zien met voorbijglijdende wolken.

Wanhopig

Deze beweging makend, zocht de opgeslotene met zijn hand steun op de sluitsteen voor de lichtkoker. Dagenlang achter elkaar zocht de gevangene het licht, zocht hij contact met de verloren gegane vrijheid. Elke dag steunend met gespreide vingers, reikend naar het licht, een wiegende beweging makend met de hand. De hand ging, dag in dag uit, op en neer over de sluitsteen. Tot op de dag van vandaag zijn de sporen te zien. De uitgesleten vingers in de steen van de levend ter dood veroordeelde. Uitgesleten door oneindig strelen, tastend naar de vrijheid. Uit pure wanhoop.

Philip Damiaan en de geheime kamer

Bij het kamertje ‘Op de garderobbe’ hoort de legende van Philip Damiaan, bisschop van Roermond. Hij leefde van 1724 tot 1793 en was de broer van de laatste graaf die in het kasteel gewoond heeft. Bisschop Philip Damiaan was een grote, omvangrijke man, zeer goedig van aard en minzaam in de omgang. Hij was een groot muziekliefhebber, had een eigen muziekkapel en bespeelde zelf de violoncel. In de inventaris van zijn nalatenschap werden 24 muziekinstrumenten en maar liefst 200 symfonieën vermeld.

Verschuilen

Op 11 december 1792 verschenen er Franse troepen in Roermond. In navolging van de Franse Revolutie werden alle edelen vervolgd. Ook de bisschop moest vluchten. Hij vluchtte naar kasteel Hoensbroek en verstopte zich hier in dit kamertje. Een bijzonder kamertje, want het ligt ‘verscholen’ tussen het plafond van de Speul en de vloer van Op de garderobbe. Bovendien camoufleerde een muurkast de trap naar dit kamertje.

Brandende kaars

De Fransen die hem achterna waren gegaan wisten dat hij ergens in het kasteel verborgen zat. Ze deden een huiszoeking, maar konden hem nergens vinden. Vervolgens bedachten zij dat als er ergens een geheim kamertje moest zijn er wellicht een raam in zou zitten. Ze kwamen op het idee de ramen aan de buitenkant en aan de binnenkant te tellen om zo een verschil te ontdekken. En inderdaad, aan de buitenkant van het kasteel telde men één raam meer dan aan de binnenkant. Men besloot voor elk raam een brandende kaars te zetten zodat buiten duidelijk zou worden welk raam onverlicht bleef. De bisschop werd van dit plan op de hoogte gesteld en ontstak ook een kaars voor zijn raam. Hij werd nooit ontdekt.

Graaf Philip Damiaan Ludovicus Ignatius Victorius van Hoensbroek

Aldus luidt het verhaal van de bisschop die onderdook en op deze wijze uit Franse handen bleef. Men vertelt deze geschiedenis al tientallen jaren in de geheime kamer. De sage heeft betrekking op graaf Philip Damiaan Ludovicus Ignatius Victorius van Hoensbroek. Hij was het vierde kind (in totaal werden 24 kinderen geboren!) van Frans Arnold van Hoensbroek en zijn echtgenote Anna Catharina Sophia rijksgravin van Schönborn. Hij werd gedoopt in de huiskapel in Roermond door bisschop F. Sanguessa op 24 februari 1724. Na zijn studies filosofie te Aschaffenburg, theologie te Rome en rechten te Leiden werd Philip Damiaan op 27 april 1774 door keizerin Maria Theresia tot bisschop van Roermond benoemd. De pauselijke bevestiging hiervan ontving hij in juni 1775. De bisschopswijding vond plaats op 2 juli 1775 te Spiers en de feestelijke inhuldiging en installatie door het kapittel volgde 30 oktober van datzelfde jaar. De bisschop nam zijn intrek in kasteel Hillenraad te Swalmen, dat hij huurde van zijn broer Lotharius Frans. Dat kasteel was sinds 1736 Hoensbroeks familiebezit.

Nooit gebeurd

We spreken bij het verhaal rond Philip Damiaan over een ‘sage’. We zijn er namelijk van overtuigd dat deze avontuurlijke gebeurtenis in kasteel Hoensbroek nooit heeft plaatsgevonden. Tijdens de eerste aanval van de Fransen op de Zuidelijke Nederlanden werd in de zomer van 1792 het gebied tussen Maas en Rijn bezet. Alle steden openden de poorten voor de Fransen, zo ook Roermond. Alleen de vestingen Maastricht en Venlo hielden stand.

Ziek

We weten uit de geschriften dat de Roermondse bisschop noordwaarts de vlucht nam, met de grote emigrantenstroom mee. Het zou ook zeer onlogisch geweest zijn te vluchten naar door Fransen bezet gebied. Op 30 november 1792 lag Philip Damiaan ziek in bed in de pastorie van Venlo; hij vertoefde daar nog op 16 december. Later ging hij naar klooster Zand bij Straelen, waar hij zich op 4 februari 1793 en daarna nog bevond. Ook A. Lamberts noteert in Venlo binnen en buiten zijn muren dat in 1792 de Roermondse bisschop Philippus Damianus één van de eerste vluchtelingen was die in Venlo aankwam. E. Slanghen tenslotte verwijst eveneens naar de vlucht van de bisschop naar Venlo en later naar Straelen.

Overleden

Toen de Fransen op 1 maart 1793 bij Aldenhoven, ten Noord-Oosten van Aken, verslagen werden, trokken zij zich terug naar het zuiden. Na de slag bij Neerwinden (18 maart 1793) ontruimden ze heel België. Anderhalf jaar later zouden ze echter definitief terugkomen. De zieke bisschop -zo noteert E. Slanghen- “steeds bekommerd om zijne onderhoorige kudde, keerde hij in maart 1793 naar zijn mijterstad terug”. Hij overleed een maand later -17 april 1793- in Roermond en werd in de Sint Martinuskerk te Venlo begraven, omdat in de Oostenrijkse Nederlanden niet meer in de kerk begraven mocht worden.

Historie

We hebben tot op heden géén aanwijzing in het familiearchief aangetroffen dat Philip Damiaan zich schuilhield in kasteel Hoensbroek. Het kasteel bleef overigens door zijn broer Lotharius Franciscus Wilhelmus bewoond tot diens dood in 1796, dus ook tijdens de eerste Franse tijd. Als deze onderduikgeschiedenis van de bisschop in 1792 werkelijk had plaatsgevonden, zou dat zeker niet zijn ontsnapt aan de aandacht van burgemeester-historicus Egidius Slanghen. Geboren in 1820 – slechts één generatie na het gebeurde- zou hij het zeker hebben vernomen en opgetekend uit de mond van zijn ouders of oudere dorpsgenoten. Zijn tijdgenoot en vriend, archivaris Jos Habets, een neef van Slanghen’s moeder, publiceerde in 1889 het boeiende verhaal ‘Een Valkenburgsch dorp in 1789’, zoals hij het had opgetekend in 1848 “uit de mond van een oude Oirsbekenaar”. Slanghen vermeldt in zijn historisch werk over het Markgraafschap Hoensbroek (1859) heel wat zakelijke feiten betreffende Philip Damiaan, maar niets over de geheime kamer. Ook Jos Habets vermeldt hier niets over in zijn ‘Geschiedenis van het bisdom Roermond’. We mogen dus aannemen dat de hele geschiedenis nooit heeft plaatsgevonden.

Waar komt de sage vandaan?

Hoe is de sage van Philip Damiaan en de geheime kamer van kasteel Hoensbroek dan ontstaan? Het lijkt er op dat twee zaken hierbij een rol spelen, namelijk de situering van het vertrek garderobe achter den groeten toorn in kasteel Hoensbroek  èn de levendige fantasie van diverse auteurs kort na 1920.

De geheime kamer verschijnt voor het eerst op schrift in ‘Buiten’ in 1925:”Ergens hoog, heel hoog in den dikken torenwand is een kleine uitholling die toegang geeft tot een geheime trap, geheel in den wand verborgen.”

Doolhof

De ‘Nedermaas’ van datzelfde jaar noemt specifiek een geheime kamer: “Het wordt een doolhof van vertrekken, van trappen en deuren, waarin men zijn weg niet meer vindt. Uw geleider wijst U een vernuftig verborgen geheime kamer, zoo groot als geen modern huis er een heeft en toch zoo verborgen, dat gij ze niet zoudt vinden.”

Wandkast

In het ‘Limburgs Jaarboek’ van 1926 schijft Henry Pijls, rentmeester van kasteel Hoensbroek, als eerste uitvoerig over de geheime kamer en Philip Damiaan’s vlucht voor de Franse troepen: “Wanneer men in de benedenverdieping in dezen toren komt heeft men aan de linkerzijde een wandkast met een verschuifbaren rug, waardoor men langs een engen trap toegang krijgt naar een geheim vertrek. Zooals ik meermalen hoorde vertellen was het in dat geheim vertrek, dat de Roermondsche Bisschop Philippe Damiaan von und zu Hoensbroeck, die bij het uitbreken der Fransche revolutie in 1792 bij de komst der Fransche republikeinen te Roermond vluchtte, zich daarin langeren tijd verborgen hield. Door een gat in den zolder werd hem het eten gebracht, een klein venster zorgde voor toevoer van lucht en licht.”

Feestgids

Een andere belangrijke bron vormt de ‘Feestgids bij de plechtige inauguratie van ’t kasteel Hoensbroek aan Christus Koning’ uit 1929. Deze plechtigheden kunnen beschouwd worden als het startschot voor de grote restauratie van de jaren dertig die hierna volgde. Deze gids beschrijft de diverse feestelijkheden zoals de historische stoet, die historische hoogtepunten van het kasteel en van Limburg toonde. Bij het onderwerp ‘De Fransche Revolutie’ bestaat de derde ‘act’ uit “Philips Damiaan van Hoensbroek, bisschop van Roermond, bewaakt door Fransche soldaten”. Achterin de gids vinden we: “Onze bisschop Philip Damiaan moest vluchten. In het ouderlijk slot te Hoensbroek vond hij een veilige schuilplaats, hoe de Franschen, die vermoedden, waar hij zich ophield, ook zochten …”

Veilige schuilplaats

Een artikel in De Limburger Koerier eind 1931 geeft een uitvoerige beschrijving van de trap achter de muurkast en het aanzicht van het vertrek: “In dit kamertje moet menig kasteelbewoner voor vijanden dagenlang een veilige schuilplaats hebben gevonden. Aan een der vensters kon een touwladder worden bevestigd, waardoor ’t mogelijk werd langs de stadsgracht (?) te ontsnappen. Het laatst is het kamertje gebruikt in den tijd der Franschen Revolutie. De toenmalige bisschop van Roermond, Damiaan, moest vluchten voor de Fransche soldaten en nam de wijk naar kasteel Hoensbroek …”

Kaars achter het raam

We vinden het verhaal in 1938 voor het eerst in een boek Limburgse Sagenboek: “Damianus, bisschop van Roermond, had de wijk genomen op zijn stamslot, het kasteel Hoensbroek. Daar werd hij verborgen in de geheime kamer. De Franschen zochten die kamer, maar vonden haar niet. Toen lieten ze achter elk raam een kaars aansteken en telden en telden. Maar ook de bisschop, wel verwittigd, stak een kaars aan achter zijn raam in de verborgen kamer. Driemaal illumineerden de Franschen het slot Hoensbroek en toen rekenden ze maar uit dat hij er niet zat. Men vertelt zich zoo licht aan een paar honderd kaarsen.”

Vervolgens duikt de sage op in 1949 bij auteur H. Beaujean: “Van de Fransen heeft hij ook nog heel wat last ondervonden. Er wordt verteld dat hij voor de Jacobijnen een keer naar Hoensbroek gevlucht is en daar, dankzij het geheime kamertje aan hun woede ontkwam. Of dit historie is?”

Aansluitend melden bijna alle auteurs die de Hoensbroekse geschiedenis behandelen, het verhaal. Enkelen maken de (correcte) kanttekening dat het zeer aannemelijk is dat de bisschop in het geheel niet in Hoensbroek aanwezig was ten tijde van de vermeende Franse zoekactie.

Tot de verbeelding

De Hoensbroekse schuilplaats is de verbeelding blijven prikkelen. In 1959 werd Jozef Germanus, huismeester van kasteel Hoensbroek ten tijde van het gebruik door de Staatsmijnen, geïnterviewd. Hij vertelt in De Nieuwe Limburger op 6 november over een rondleiding (onbekend welk jaar) die hij verzorgde voor een gezelschap waartoe ook de NSB-leider Mussert en zijn echtgenote behoorden:

“Toen zij een bezoek brachten aan het geheime vertrek, waarin de bisschop van Roermond, Philip Damiaan, zich tegen het einde van de achttiende eeuw voor de Fransen wist te verbergen, hoorde hij mevrouw Mussert tegen haar man fluisteren: “Dat was een mooie schuilplaats geweest voor jou, Anton.”

De ligging van de geheime kamer

De belangrijkste voedingsbodem voor de legende is de ligging van het vertrek in kasteel Hoensbroek. De ingang van het kamertje in de zeventiende-eeuwse vleugel is gesitueerd in een smalle gang tegenover een gemak en deze ingang was tot de restauratie van de jaren dertig gecamoufleerd door een muurkast, waarachter een trap tevoorschijn komt. Dit verklaart de naam in de volksmond: de verbörgenis. De kamer is ter halve hoogte gevestigd tussen een ruimte op de begane grond, De Speul, en de eerste verdieping, de vloer van Op de garderobbe. De kamer ‘zweeft’ daardoor als het ware tussen beide verdiepingen. Het is een laag en vrij donker vertrek. Slechts één venster geeft uitzicht op de slotgracht. Er bevindt zich een ‘gemak’ ofwel ‘secreet’, dat zo gebouwd is, dat de deur open moet blijven tijdens gebruik. De zeventiende-eeuwse vleugel is gebouwd vanaf 1640 in opdracht van graaf Adriaan van Hoensbroek en was in 1656 voltooid. Het is goed mogelijk dat een dramatische gebeurtenis aangaande Adriaans broer Daniel hem heeft doen besluiten een schuilplaats in te bouwen in de ‘nieuwe’ aanbouw. Daniel, vrijheer van Hoensbroek werd heer van Oud-Valkenburg in 1631. Voorheen diende hij in Spaanse krijgsdienst en heeft veel betekend voor het Land van Valkenburg aan het einde van de Tachtigjarige Oorlog. In maart 1637 (3 jaren vóór de start van de zeventiende-eeuwse bouw in Hoensbroek) kreeg hij een hoogoplopend conflict met de Spaanse kolonel Octavio de Guasco, die op last van de infant in het Land van Valkenburg met zijn troepen in garnizoen lag.

Aagten

Tijdens een ruzie werd Daniel door De Guasco en diens soldaten mishandeld en zwaargewond opgesloten in een toren van het kasteel van Valkenburg. De Guasco gaf 135 soldaten opdracht Daniel’s kasteel Oud-Valkenburg te plunderen. De voorhof werd volledig leeggeroofd en de pachteres en een knecht mishandeld. Naar aanleiding van dit ernstige incident kan Adriaan het idee hebben gevat een veilige schuilplaats in kasteel Hoensbroek te bouwen. Schuilplaatsen waren niet ongewoon in kastelen en boerderijen. We kennen de zogeheten ‘aagten’, vluchtgangen onder deze gebouwen die zouden zijn aangelegd tegen de onveiligheid van het platteland. De vroegste vermeldingen van ‘aagten’ dateren uit 1514-1515 te Geulle. In de achttiende-eeuw komen dergelijke typen vlucht- en schuilgangen veelvuldig voor bij dorpen waar mergelwinning plaatsvond. In de omgeving van Val-Meer, Zichen en Zussen bestaat tegenwoordig nog de ‘kuil’ welke werd voorzien van een ‘graet’ (gradus: trap). Na de blokontginning ontstonden onderaardse gangenstelsels; de ‘graet’ kwam meestal uit in de kelder van het woonhuis of boerderij, een ideale schuilroute.

Inventarislijsten

Een belangrijke bron bij de bestudering van het gebruik van de geheime kamer te Hoensbroek vormen inventarislijsten uit de zeventiende- en achttiende eeuw. De oudst bekende inventaris werd opgemaakt door gouvernante Anna van Aken op 6 december 1653. Ook al is deze lijst ruim een eeuw vóór Philip Damiaans vermeende bezoek opgemaakt, het is interessant te weten welke functie het vertrekje destijds gehad kan hebben. Uit deze inventarislijst wordt duidelijk dat Opde garderobbe zich bevond “een bedde, een hoftpulle, twe kussen, eene bonte decken, witte gardynen, een groen geprint taeffelcleydt opde taeffel en een scabel (type stoel).” Opmerkelijk is de bijgevoegde opmerking dat Anna van Aken Op de garderobbe aanvankelijk niet kon betreden alvorens “Daeraf den camerdyenaer den sleutel van Brussel heft overgesonden.” Wat was destijds zo bijzonder aan deze kamer, op het eerste oog qua inrichting een sober slaapvertrek, dat de sleutel vanuit Brussel naar Hoensbroek gebracht diende te worden? Twee jaar later maakt schout Weusthenraedt op 22 april 1655 inventaris op. Nagenoeg dezelfde meubels worden beschreven: “Opde garderobbe: een bedde, vier kussen, een bonte decken, witte gardynen mit een omloop, een groen taeffelcleydt (noch eene groene ende noch eene witte sarse [doorgestreept] is abuys) en eene scabel.”

Op 17 augustus 1682 ‘Inventaris van de meubelen op Hoensbroeck deur mij ende Gertruyd Bonebeckers ter presentatie van Reyner Offerman naergezien. Opmerkelijk is de naamswijziging Opt camerken boven de spuel: een goedt bedde, eenen pulleff, ende twee kussens, item eene goede ledicant sonder behangsel, eene taffel, een pottebanck ende eenen grooten craemstoel. Wederom een inrichting als slaapkamer, met twee nieuwe items, een ‘pottebanck’ en een ‘craemstoel’.

Inventarislijsten uit de late achttiende eeuw zouden ons dichterbij de eventuele waarheid kunnen brengen, maar helaas bevatten beide achttiende-eeuwse inventarissen van 23 september en 3 en 4 oktober 1796 (na overlijden van Lotharius Franciscus op 20 augustus 1796) voornamelijk een opsomming van meubelen zoals ze waren opgeslagen in de middeleeuwse ronde toren en zonder vermelding per vertrek. In de laatste inventaris gedateerd 3 en 4 oktober wordt aan het einde gemeld: “Den 6 okt 1796 nog op het kasteel Hoensbroeck bevonden in een verbergnisse boven den grooten trap vier schilderijen zevenendertig estampes waeronder verscheijde waeraen de raemen gebrokken en de glaesen in stucken.”

Tussenverdieping

De vermelding van de grote trap suggereert dat deze beschrijving geldt voor de achttiende-eeuwse vleugel, waar zich inderdaad een nis in de zijwand bevindt. Helaas niet de ‘verbergnisse’ waar we naar op zoek zijn. Na het overlijden van Lotharius Franciscus waren er geen nazaten en/of gegadigden die kasteel Hoensbroek wilden of konden bewonen. Alle bezittingen zijn in 1796 getransporteerd naar Schloß Haag bij Geldern in Duitsland. Op de Garderobbe was dus in de zeventiende eeuw in gebruik als slaapvertrek en/of opslagruimte. Er is géén enkele melding van gebruik als schuilplaats. In de achttiende eeuw is deze tussenverdieping waarschijnlijk verstopt achter de boekenkast en bleef ze verborgen tot de start tot verkoop in 1921. Dit kamertje, ‘zwevend’ tussen twee verdiepingen waarvan de trap verborgen was achter de boekenkast, heeft de fantasie op hol doen slaan.

Fabel

De grote restauratie bracht een hernieuwde belangstelling in de pers voor kasteel Hoensbroek, maar de sensatie van de ontdekking van de ‘verborgen kamer’ was sindsdien basis voor diverse publicaties. Het verhaal van Philip Damiaan en de geheime kamer van kasteel Hoensbroek is bijzonder, maar bevat zoveel onwaarschijnlijke factoren, dat het met recht naar het rijk der fabelen verwezen moet worden. Toch is het verhaal voor kasteel Hoensbroek van bijzondere waarde en we zullen het dan aan onze bezoekers blijven vertellen, ook al weten we dat de historische gronden ontbreken. Zolang de nuances erbij vermeld worden is er géén sprake van foutief informeren. Bovendien: is het niet zo dat een zichzelf respecterend historisch pand, een kasteel in het bijzonder, een geheime gang of kamer dient te bezitten?

Historisch goud

Historisch Goud is het erfgoedbedrijf van de Gemeente Heerlen

Bezoek site

Thermenmuseum Heerlen

Romeins kruispunt van wegen en werelden.

Bezoek site

Streekarchief Rijckheyt Heerlen

Sterk in de toekomst van het verleden.

Bezoek site

© Historisch Goud – Privacy PolicyDisclaimer