De aap van Hoensbroek

De Heren van Hoensbroek waren betrokken bij de rechtspraak in hun gebied. Zo had de heer het recht de schepenen en de schout te benoemen. Dat de Heren van Hoensbroek betrokken waren bij de rechtspraak, betekende echter niet dat ze zelf altijd geheel verschoond bleven van het plegen van misdaden. Althans volgens het volgende verhaal over één van de eerste Heren van Hoensbroek...

Liefst 7 eeuwen staat de ronde toren van kasteel Hoensbroek trots in het heuvellandschap, weerspiegeld in het water van de slotgrachten. In die tijd onderging het kasteel vele veranderingen, verviel, stortte deels in en werd weer opgebouwd. Wat bleef was de middeleeuwse ronde toren met zijn donkerdreigende vensters en nauwe schietspleten. Op de stenen muren had vuur geen vat en ook slopers waagden zich niet aan de drie meter dikke muren.

Vanaf die zware toren konden de wachters de wegen naar het slot goed overzien. Dat was wel nodig ook, want roofridder van Hoen zou zich in de omliggende steden en stadjes niet populair hebben gemaakt. Ook de bisschop van Luik had al een aantal keren laten weten dat de Heer van Hoensbroek een zware straf zou kunnen verwachten, als hij niet zou stoppen met zijn nachtelijke rooftochten.

De mannen van ridder Hoen lieten zich daardoor echter niet afschrikken. Langs alle wegen waren ze te vinden, verborgen in het dichte, hoge kreupelhout. Gereed om met hun scherpe spiesen en hun strijdkolven in de hand te voorschijn te springen. Geduldig wachtend op het voorbijkomen van kooplui met hun wagens, volgeladen met koopwaar.

Op een dag zaten de rovers opnieuw verstopt, achter struikgewas, dat groeide op de steile wand van een holle weg. Lang hoefden de rovers deze keer niet te wachten. In de verte hoorden ze al het geratel van de wielen van een wagen. Op het moment dat de wagen de rovers voorbij reed, sprongen deze luid krijsend op de wagen af. De twee kooplieden op de wagen werden van de wagen gesleept en door de rovers op de kop gezet en bespot. Ze schudden de twee angstige mannen zo lang, dat zelfs de best verborgen goud- en zilverstukken over de grond rolden. Snel gristen de rovers de muntstukken bijeen en sprongen op de wagen. Het klakken van de zweep klonk luid door de donkere nacht en de wagen verdween uit het zicht van de kooplui.

 
Het had voor de rovers een nacht als alle andere kunnen zijn, ware het niet dat ze ditmaal een bijzondere vondst deden. Terwijl een van de mannen van Hoensbroek de wagen door de nacht heen jaagde, doorzochten de anderen de inhoud van de wagen. Helemaal achterin de wagen vonden ze, verscholen onder de linnen huif, rillend en krijsend een kleine aap. De mannen wisten niet wat ze met het rare diertje aan moesten. Nooit eerder hadden ze zo'n diertje gezien. Even twijfelden ze dan ook of ze het diertje aan de heer zouden geven, of dat ze het voortijdig kwijt zouden proberen te raken. Besloten werd de keus aan de heer te laten. Aangekomen op slot Hoensbroek hadden de mannen de kans niet, de heer in te lichten over het gevonden beestje, voordat hij het had gezien. Het aapje sprong namelijk meteen uit de wagen op de schouder van de kasteelheer en was er niet meer af te slaan. De roofridder was blij als een kind met het dier, waarmee de mannen hem hadden verrast. Urenlang kon de ridder van Hoensbroek kijken hoe de aap door de gangen buitelde, zich tussen de spijlen van de balustrade door slingerde en langs de trappen naar beneden gleed. Vanaf het moment dat het aapje aankwam op het slot, was het altijd bij de heer. Alleen in de vroege morgen, als de heer neerknielde om een Ave Maria op te zeggen, was het aapje nergens te bekennen.

De sleutel van de kleine slotkapel was al jaren geleden kwijtgeraakt en de kapel was sindsdien altijd gesloten geweest. Men had de heer van Hoensbroek ook zelden gezien in de kerkjes van de omliggende dorpen. Toch ging er geen dag voorbij zonder dat de heer bad tot Ons Lief Vrouwke. Zij zou immers het venster van de hemel kunnen openen voor de zondaars die de poort gesloten vonden.
Met de bewoners van de kasteeltjes in de omtrek leefde de roofridder op gespannen voet. Niet dat er veel te halen viel, maar ook zij maakten aanspraak op het gebruik van de uitgestrekte velden, heide en dichte bossen om te jagen. De heer van Hoensbroek vond echter dat hij het alleenrecht daarop had. Uiteindelijk liet hij zich toch overhalen om de abt van Rolduc te ontvangen, die in zijn grote wijsheid al zoveel twisten had beslecht.
Zo kwam de oude abt aan bij het slot, waar men sinds tijden geen geestelijke meer had gezien. Hij ging bij het haardvuur zitten en keek de grote zaal door alsof hij iets zocht. Daarna richtte de abt zich tot de ridder:,,Heer Hoen, ik hoorde dat u een aapje bezit die altijd in uw nabijheid te vinden is, maar hoe goed ik ook kijk, ik zie hem nergens.'' Ook de heer besefte nu pas dat het aapje zich niet in zijn nabijheid bevond.,,Wat vreemd'', zei de heer verwonderd, ,,Hier komen nogal veel mensen en tot nu toe is er nog niemand geweest, voor wie hij bang was.'' De heer keek nu met zijn scherpe ogen de zaal door en ontdekte het gehurkte gestalte van het aapje in de donkerste schaduwhoek van het vertrek. Daar zat het met de tanden ontbloot en met een gemene grijns op het gezicht; een van haat en woede verwrongen apensmoel. ,,Wat heeft dit te betekenen ?'' vroeg de graaf zich af. Maar de abt wist het wel. ,,Wat denkt u mijnheer wat dit voor een beest is ?'' vroeg de abt. ,,Nou een aap!'' antwoordde de heer. ,,Ik zal u eens laten zien wat dit voor een beest is.'' Hij richtte zich langzaam op en wendde zich tot het dier:,,Ik zweer in de naam van Maria, zeg ons wie je bent !'' Plotseling antwoordde de aap in de taal der mensen, met een krijsende stem:,,Ja abt, je weet het maar al te goed. Ik ben de duivel, in eigen persoon ! Zeven jaar lang woon ik al op dit kasteel en ik wacht... ik wacht op de dag dat de roofridder van Hoensbroek voor het eerst zal vergeten Maria te groeten. En ik had hem bijna zover. Bijna had ik hem in mijn macht en kon ik hem meevoeren naar de diepste diepten van de hel... Maar tot nu toe verzuimde hij nooit zijn gebed !''
Zodra de heer die woorden hoorde, viel hij op zijn knieën en smeekte God om genade en beloofde zijn leven te zullen beteren. Zijn mannen die zich nu ook in de zaal verzameld hadden, volgden zijn voorbeeld. De aap krijste vlijmend, alsof hij in het wijwater was gevallen. De abt greep naar het kruisbeeld om zijn hals en richtte dat met gestrekte arm op de aap. Terwijl hij bad uit een kleine bijbel, die hij in zijn andere hand hield, liep hij langzaam richting de aap. De aap week stap voor stap achteruit door de gehele lengte van de zaal, de ogen afschermend met de poten alsof hij een fel licht wilde afschermen. Vlak bij de deur verdween de aap vlug de steile wenteltrap van de ronde toren op. De ridder heeft de aap daarna nooit meer gezien. Het enige dat hij achterliet was een sterke zwavellucht...

Een andere versie van deze legende, eindigt met de mededeling dat de heer de volgende dag in een klooster ging. Hoe het ook zij, duidelijk is dat dit verhaal een moraal bevat. Men moest oppassen niet door de duivel van de kerkelijke plichten te worden gebracht. De gevolgen zou men niet kunnen overzien.

Aanvraag

Image CAPTCHA
Voer de karakters in die getoond worden in de afbeelding

Vragen?

Neem contact op:
Telefoon +31 (0)45 522 7272
E-mail info@kasteelhoensbroek.nl

Bel me terug:
Als u uw nummer hier invoert,
bellen wij u terug.