Ongeveer 1000 jaar geleden begonnen de rijke en machtige heersers in Nederland hun huizen te versterken om zich tegen de vijand te beschermen. Deze versterkte huizen waren de eerste kastelen. De Nederlandse kastelen waren bijna allemaal van hout. Hiervan is er geen enkele meer over. Hout vergaat sneller, kan gemakkelijk in brand gestoken worden en verrotten. Daarom maakte men vanaf ongeveer 1250 steeds meer kastelen van steen. Bij restauratiewerkzaamheden van Kasteel Hoensbroek stootte men op de funderingen van vijf duidelijk te onderscheiden bouwwerken en bouwperioden van het slotgebouw. Hoe zagen die eruit?

Woontorens

De versterkte huizen van ongeveer 1050 tot 1250 leken niet op de kastelen zoals wij die nu kennen. Men maakte vaak een woontoren op een hoge heuvel. Vanuit zo’n toren was het makkelijker om vijanden te bestrijden. Ze werden al van veraf opgemerkt. De eigenaar van de woontoren woonde er met zijn gezin. Bij of in die toren was vaak ook een kapel. Rondom de toren stonden houten huisjes, waarin het personeel woonde. Daarin werden ook de voorraden opgeslagen en stond het vee. Daar omheen stond een hek van houten palen en hieromheen groef men een gracht ter verdediging.

De vijf bouwperioden van Kasteel Hoensbroek hieronder op een rij:

Bouwfase 1: 13e eeuw

Het binnenplein van het slotgebouw is de plek waar het Gebrookhoes is ontstaan. De muren die dit plein omringen, zijn gebouwd op de fundamenten ter grootte van het huidige binnenplein: 18,85 meter breed en bijna 16 meter diep.

Lees meer

Schietsleuven

Op de oosthoek was het geheel vermoedelijk extra versterkt door een zware toren. Vanuit de kelders was dit versterkt huis te verdedigen met schietsleuven. Op minstens drie plaatsen in de fundamenten zijn wigvormige schietsleuven gevonden. Boven deze schietsleuven werden restanten ontdekt van een gewelfaanzet, waaruit valt op te maken dat de kelders overwelfd waren. Op het binnenplein werd ook een oude waterput ontdekt. Kortom, het eerste Gebrookhoes stellen wij ons voor als een rechthoekig blok opgetrokken in geelgrijze Kunradersteen. De fundamenten zijn 1 tot 1,5 meter dik.

Bouwfase 2: 14e eeuw

De tweede fase van het Gebrookhoes is tot stand gekomen omtrent 1360. Hiervan resteert slechts de ronde toren of donjon.

Lees meer

Rechhoekige burcht

Naast de ronde toren ontstond in deze bouwfase een rechthoekige burcht, die uitwendig ca. 17,50 meter lang en 11,50 meter breed was en aansloot op de westelijke gevel van de oude stercke huyssinge. De gevonden fundamenten hebben een dikte van 2,35 meter, terwijl de muren van de ronde toren een dikte kregen van circa 3 meter.

In de dertiger jaren zegt Monumentenzorg over de bouw van het middeleeuws gedeelte van het kasteel:

De zware hoektoren heeft een gesloten karakter en is opgetrokken uit baksteen op een fundering van mergel. Eenzelfde mergelfundering bevindt zich onder de muren van de aangrenzende woonvleugel. Het muurvlak wordt onderbroken door schietsleuven met ronde middengaten in Kunradersteen en enige tussendorpelvensters met geblokte omlijstingen. De torenspits was oorspronkelijk een open weergang met kantelen. Enkele uitgebouwde gemakken zijn hersteld bij de laatste restauratie. Onder in de ronde hoektoren bevindt zich een cel, overdekt door een balkenzoldering; daarboven een ruimte met koepelgewelf, die evenals de hogere ruimten, door een in de muur uitgespaarde wenteltrap, bereikbaar is. Een eveneens in de muur uitgespaarde vluchttrap is bij de restauratie in ere hersteld. De wangen der zeer diepe vensters zijn van nissen voorzien. De ronde hoektoren en de 2,00 à 2,35 meter dikke mergelfunderingen onder de achttiende-eeuwse woonvleugel stammen hoogstwaarschijnlijk van een vergroting, die Herman Hoen heeft uitgevoerd. De door sommigen op grond van de ‘jaarringen’ in het torenmetselwerk aangenomen bouwtijd tussen 1680 en 1686 staat niet vast. Een bouwtijd na 1374 zou niet uitgesloten zijn. Door het ontbreken van archiefmateriaal kan niet achterhaald worden wanneer de tweede bouwfase van het kasteel precies is begonnen.

Bouwfase 3: 16e eeuw

De deskundigen van monumentenzorg zijn van mening dat de, bij de bouw van de huidige rechterfronttoren gebruikte, bakstenen van hetzelfde formaat en baksel zijn als die bij de rest van de modernisering (circa 1720) zijn gebruikt.

Lees meer

Ze gaan er daarom van uit dat de rechtertoren uit de vijfde bouwfase stamt en dat alleen de fundamenten nog resteren uit de derde bouwfase.

Bouwfase 4: 17e eeuw

De vierde bouwfase heeft in grote lijnen het cachet van het huidige gebouwencomplex bepaald.

Lees meer

Herenhuis

Uit deze vierde bouwfase dateert niet alleen driekwart van het herenhuis maar ook het poortgebouw met een nieuwe brug, de linkerfronttoren, de oostelijke vleugel en de daaraan grenzende grote vierkante toren, die een spits kreeg in de stijl van die tijd en tenslotte de zuilengalerij. Ook de bijgebouwen, pachterswoning, koetshuizen, paardenstallen, schuren en poorthuizen en nog twee bruggen over de grachten, werden gebouwd. De architect was Maître Matthieu Dousin.

Uit historisch onderzoek blijkt dat met de bouw is begonnen in 1640, nadat het in de weg staande oude gebouw was afgebroken. Betalingen in verband met de afbraak worden gedaan in maart en begin juni 1643. Men startte met de eigenlijke bouw van het herenhuis op 8 juni 1643. De bouw werd voltooid in 1656.

Modeverschijnsel

In tegenstelling tot de ander bouwfases kan een nauwkeurige datering gegeven worden. De heer Adriaan van Hoensbroek, heer van 1631-1675, gaf opdracht voor de majestueuze bouw. Adriaan was via zijn moeder in het bezit gekomen van uitgestrekte goederen rond het stadje Geldern en had erfelijke rechten verworven op hoge functies die hem in staat stelde zijn stamslot Hoensbroek te vergroten en te verfraaien. De hoofdzetel van de familie bevond zich in Schloss Haag en daar woonde Adriaan ook. De beslissing om kasteel Hoensbroek uit te breiden was niet omdat Adriaan daar wilde wonen maar meer een ‘modeverschijnsel’. Tijdens de zeventiende eeuw was de bouwactiviteit van andere kasteelheren ook bijzonder groot.

Kunradersteen

De ingangsvleugel, de linkerfronttoren, de linkervleugel en de achtervleugel vormen een goed voorbeeld van de Nederrijnse én Maaslandse bouwtradities van de zeventiende eeuw. De muren, opgetrokken in baksteen, zijn aan de veldzijde van een sobere architectuur. Het onderste muurwerk, beneden geheel van mergel en eindigend in een plintlijst van Kunradersteen, heeft een sterk hellend verloop. Verder is natuursteen vrij spaarzaam gebruikt. Voornamelijk zijn er mergelblokken, in Kunradersteen uitgevoerde omlijstingen van schiet- en kijkgaten, geblokte omlijstingen in hetzelfde materiaal van rechthoekvensters en tussendorpelvensters en het geblokte kruiskozijn van Naamse steen boven de inrit. De binnenplaats vertoont architectuur in de rijkere Maaslandse stijl. De muren zijn versierd met horizontale banden van Naamse steen, die eindigen in het geëikte hoofdgestel met consoles en ruitvormige ornamenten van mergel. De vlak overdekte galerij tegenover de inrit heeft geblokte segmentbogen op Toscaanse zuilen van Naamse steen, de linkervleugel is van de binnenplaats uit toegankelijk door een rondboogpoortje in een pilasteromlijsting.

Bouwfase 5: 18e eeuw

Aan de zuidoostkant van deze toren is op ongeveer 1.70 meter beneden de vloer van de huidige parterre een spitsboog aangetroffen.

Lees meer

Uit welke tijd de fundamenten stammen, is vanwege het gebrek aan historische gegevens niet meer te achterhalen. Ook heeft men in de archieven geen spoor van bouwactiviteit omtrent de toren kunnen vinden. Men is van mening dat de toren is ontstaan in de periode waarin het kasteel door de ‘verdeelde’ familietakken werd bewoond, dus vanaf het midden van de vijftiende tot het einde van de zestiende eeuw. Een precieze datering is niet mogelijk.

Kapel

De oorspronkelijk rechterfronttoren is vermoedelijk blijven bestaan tot na 1717. In 1717 stortte de middeleeuwse vleugel van circa 1360 in, behorende bij de nu nog bestaande ronde toren. Bij de heropbouw van dit gedeelte (circa 1720) werd dan ook de vermoedelijk toen gesloopte rechter fronttoren uit de derde bouwfase betrokken en aangepast aan de modernere architectonische opvattingen van de achttiende eeuw. De kapel onder de galerij op het binnenplein is ook tot stand gekomen in deze fase. De ruimte heeft tussen 1643 en 1720 een andere bestemming gehad. De kapel was vroeger gevestigd in het in 1717 ingestorte middeleeuwse slot, het altaar was daar ingebouwd ‘in de muur van de alde sael’. Oude burchten werden omgebouwd tot kleine paleizen met veel lichtinval, die luchtiger, zonniger en speelser aandeden.

Verval

Nadat het kasteel op het einde van de achttiende eeuw min of meer onbewoond werd achtergelaten, brak met de negentiende eeuw een tijdperk aan van verval. Waarschijnlijk ging in 1820 de toren van het tweede poortgebouw verloren. In 1899 stortte de achtergevel van de zuidelijke hoektoren in, terwijl in 1925 de binnenste slothoeve door brand werd verwoest. In de twintigste eeuw werd het gehele gebouwencomplex gekocht door de Hoensbroekse pastoor Röselaers voor het bedrag van 65.000 gulden. De pastoor riep de stichting Ave Rex Christe in het leven met als doel het bewaren van Kasteel Hoensbroek.

Monumentenzorg

In de jaren 1930 tot 1943 zijn het kasteel en de economiegebouwen ingrijpend gerestaureerd onder leiding van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg. Van 1943 tot 1946 bood het kasteel onderdak aan voogdijkinderen komende uit een huis in Velsen (NH), onder de leiding van de Congregatie van de zusters van het arme kind Jezus. Later is het gehele complex door de Stichting Ave Rex Christe verhuurd aan de Staatsmijnen in Limburg.

Historisch goud

Historisch Goud is het erfgoedbedrijf van de Gemeente Heerlen

Bezoek site

Thermenmuseum Heerlen

Romeins kruispunt van wegen en werelden.

Bezoek site

Streekarchief Rijckheyt Heerlen

Sterk in de toekomst van het verleden.

Bezoek site

© Historisch Goud – Privacy PolicyDisclaimer